Piet de Meer


piet de meerBeste Piet, omdat ik weet dat je momenteel erg ziek bent, wil ik graag nog een column over je schrijven. Ik hoop natuurlijk dat je nog een tijdje bij ons blijft, maar ik wil er toch ook weer niet te lang mee wachten, want wat heb je aan mooie woorden als je ze zelf niet meer kunt lezen? En dus wil ik het volgende aan je kwijt. In al die jaren al dat ik al als journalist actief ben, was jij er ook… meestal voor die andere krant. Niet dat we nou écht concurrenten waren? Althans, zó heb ik dat nooit ervaren, al kon je natuurlijk wél heel goed vissen. En dat dééd je dan ook meestal, als ik je op straat, of na de een of andere persbijeenkomst tegen kwam. Want stel je eens voor dat ik iets wél zou weten dat jij nog niet weet? Ondenkbaar… niks voor jou. Want je wilde altijd álles weten en het liefst zo snel mogelijk, want vanavond rollen de persen en morgen verschijnt ‘ie weer, jouw krant, jouw kindje. En dus begonnen onze gesprekjes altijd met een spervuur aan vragen. Het leuke daarbij was dat je de antwoorden zelf ook meteen maar invulde. Jouw vragen waren eigenlijk hooguit de verbale uiting van je voortdurende zoektocht naar de bevestiging van wat je tóch al vermoedde. Ik bedoel: het verhaal dat je wilde schrijven zát meestal al min of meer in je hoofd. Er moesten hooguit nog wat hiaatjes worden ingevuld. ,,Hé, jij hebt toch met de burgemeester gesproken gisteren? Heeft ‘ie nog wat gezegd over een eventuele Tourstart in Dordrecht? Geen beloftes zeker? Nee joh, de raad ziet het niet zitten. Te duur natuurlijk. Dacht ik wel. Geloof me, daar brandt niemand zijn vingers aan.’’
Na dat vragevuur hadden we het vervolgens gewoon weer over onze gezamenlijke passies: wielrennen, muziek en vooral Dordrecht en eh… Dordtenaren. En dáár dan mooie krantjes over maken. Ja, Piet, da’s het mooiste wat er is… dat delen we.
Ik wil u vragen om Piet en zijn vrouw Elizaveta een kaartje te sturen: Steltenpad 7, 3311SL Dordrecht.

Advertenties