Twee minuten ‘stilstaan’bij een moedige Dordtenaar


keesmaatHet is 13 maart 1941: vijftien verzetsmensen van de Geuzengroep en drie Amsterdamse februaristakers worden door de Duitsers uit hun cel in het ‘Oranjehotel’ gehaald en overgebracht naar de Waalsdorpervlakte. Daar moeten zij eerst hun eigen graf delven alvorens ze door een vuurpeloton worden gefusilleerd. Eén van hen is de Dordtse onderwijzer Leendert Keesmaat, nog nét geen 30 en vader van twee kinderen. Al aan het begin van de oorlog had hij zich in Rotterdam aangesloten bij het verzet maar in november 1940 werd hij gearresteerd en kort daarna ter dood veroordeeld. Om zijn strijdmakkers tot steun te zijn zet de gelovige Leendert, door de Duitsers zwaar mishandeld (gegeseld zelfs), maar niet ‘gebroken’, onderweg naar de fusilladeplaats enkele verzen uit Psalm 43 in: ‘Dan ga ik op tot Gods altaren, tot God, mijn God, de bron van vreugd; Dan zal ik juichend stem en snaren ten roem van zijne goedheid paren, die na kortstondig ongeneugt mij eindeloos verheugt’
De Duitsers begrepen er niets van. Pas later werd hun uitgelegd dat het hier om ‘slechts’ een psalm ging.
Zelf ben ik niet gelovig, hooguit hoopvol, maar de woorden uit deze psalm, die ik onder ogen kreeg dankzij een persbericht over de interkerkelijke herdenking, morgenavond in de Kruiskerk aan de Vrieseweg maken veel indruk op me: zing je vijand toe, maak hem machteloos met woorden en beschouw je executie als hooguit ‘een kortstondig ongeneugt’ op weg naar iets mooiers. Dáár word je stil van en dat zal ik ook morgenavond zijn tegen de klok van achten… stil, vanwege een moedige Dordtenaar die, op het aller-moeilijkste moment in zijn korte leven, zijn lotgenoten tot steun was. Dichter Jan Campert schreef hierover ‘Het lied der achttien doden.’ Aan dit gedicht wordt morgenavond in de Kruiskerk ongetwijfeld worden gerefereerd. Dit zijn de laatste vier regels:
Ik zie hoe ’t eerste morgenlicht door ’t hooge venster draalt.
Mijn God, maak mij het sterven licht –
en zoo ik heb gefaald gelijk een elk wel falen kan, schenk mij dan Uw gena,
opdat ik heenga als een man als ‘k voor de loopen sta.

Advertenties