
Vanaf het duin bij West-Terschelling, waar de wind zonder mededogen door je gedachten snijdt, kijk ik uit over een horizon die zich niet laat bezitten. Hier bestaat geen decor, geen afleiding, geen vluchtmogelijkheid. Het eiland dwingt je tot een vorm van eerlijkheid die je op het vasteland zelden verdraagt: wie ben je wanneer alle ruis wegvalt?
Terwijl ik daar sta, met zand in mijn schoenen en zout op mijn huid, denk ik aan Dordrecht, mijn andere eiland. Niet stil, niet leeg, maar vol beweging, kruisingen, stemmen en verhalen die langs elkaar schuren als scheepsrompen in een smalle haven.
Terschelling confronteert je met stilte… Dordrecht met de wereld. Waar Terschelling je leert oplossen in ruimte en lucht, vraagt Dordt juist om aanwezigheid, om positie, om betrokkenheid. Het ene eiland nodigt uit tot overgave, het andere tot deelname.
Toch zijn ze familie van elkaar. Beide eilanden begrijpen de kracht van begrenzing. Terschelling wordt gevormd door de zee, Dordrecht door rivieren. Geen van beide sluit zich af; hun grenzen maken hen juist herkenbaar. Een eiland leeft immers nooit op zichzelf, maar bij de gratie van alles wat eromheen beweegt.
Op Terschelling leer je dat eenvoud geen romantische luxe is, maar noodzaak. Op Dordrecht ontdek je dat complexiteit geen ballast vormt, maar rijkdom. Het ene eiland pelt je af tot de kern, het andere voegt lagen toe. Precies daartussen ontstaat inzicht.
Daarom houd ik van allebei. Terschelling maakt me lichter. Dordrecht maakt me scherper. Het ene eiland spoelt me schoon, het andere slijpt me bij.
Zo sta ik hier, op het ene eiland, denkend aan het andere. En ik weet: wie twee eilanden liefheeft, kiest niet. Die laveert.
Misschien is thuiskomen niets anders dan leren bewegen tussen twee krachten: stilte en rumoer, leegte en overvloed. Alsof Terschelling en Dordrecht elkaar aanvullen, zodat ik nergens verdwijn en nergens volledig verhard. Daarom draag ik beide eilanden met me mee.
Morgen weer naar huis. Jammer… maar ook fijn.