‘In de winter werd alles stukje bij beetje stiller en killer…’


Blafmans en ik wandelen laat op de avond, want de hitte lag vandaag als een deken over de stad. Het is alsof de zomer niet langer een seizoen is, maar een langzaam uitgesproken vonnis waar mens en dier zich zwijgend bij neerleggen.
We trekken richting rivieren, waar de lucht milder is.
En daar zit hij… op een bankje bij de Groothoofdspoort. Arnold.
Ik kom hem hier al jaren tegen. We zijn niet echt vrienden, maar er zijn soms mensen die je gaandeweg in je hart sluit. De altijd zachtmoedige zwerver, inmiddels bijna tachtig, is zo iemand.
Zijn gestalte lijkt kleiner dan voorheen, alsof de tijd hem stukje bij beetje uitwist. Naast hem staat een rugzak die al jaren zijn kledingkast, voorraadkast en nachtkastje tegelijk is. Ik ga naast hem zitten. Hij kijkt op en zegt: ,,Weet je dat ik ziek ben? Ik bedoel… écht ziek.’’
Blafmans legt haar kop op zijn knie.
,,Ze hebben me een plek aangeboden. Een bed. Een dak. Een deur die dicht kan. Alleen weet ik niet of ik dat kan. Een leven zonder horizon.”
Arnold wijst naar de laatste streep licht boven het water. ,,Mijn dak is de hemel. Altijd geweest. In de zomer ging het meestal nog wel, maar in de winter werd alles stukje bij beetje stiller en killer. Dat valt me ieder jaar zwaarder.”
Dan haalt hij zijn schouders op. ,,Eigenlijk is het simpel. Misschien nog wat langer leven tussen vier muren, of sterven in het harnas.”
Ik zoek naar een antwoord. Een verstandig advies. Iets dat hem richting geeft. Maar ik vind niets. Omdat ik besef dat hij moet kiezen tussen twee dingen die niemand zou mogen verliezen: zijn vrijheid of nog wat blessuretijd.
Blafmans likt zijn hand. Arnold glimlacht. Ik zwijg om niet te huilen.
Ineens besefte ik dat sommige mensen niet sterven. Ze doven langzaam uit… precies op de plek waar ze het meest mens waren.

Eén reactie

Plaats een reactie